naar tank pagina - naar homepage


De tankslag bij Cambrai (1917)

De eerste grote tankslag in november - december 1917 tijdens de Eerste Wereldoorlog door Menno Wielinga

De Britse tankaanval bij Cambrai was de eerste grote tankslag in de Eerste Wereldoorlog. Hierbij werden maar liefst 476 tanks ingezet. De aanval verliep dan ook aanvankelijk zeer succesvol. De Britse aanval bloedde niettemin na verloop van tijd dood door gebrek aan voldoende reservetroepen en door de toenemende tegenstand van de Duitsers, die in staat bleken op het laatste moment voldoende versterkingen aan te voeren.

Inhoudsopgave
Inleiding
Succesvol Brits offensief noodzakelijk geacht
Het gekozen aanvalsgebied
Voorbereidingen in het diepste geheim getroffen
De eigenschappen van de nieuwe Mark IV tanks
De tactiek bij het gebruik van de tanks
Tanks voor ondersteunende taken
De tank nog steeds een ‘rijdende doodkist’
De Britse aanval op dinsdag 20 november
Britse aanval een volledig succes
Het verloop van de strijd op woensdag 21 november 
De strijd om Fontaine op donderdag 22 en vrijdag 23 november
De Slag om Bourlon op zaterdag 23 november t/m dinsdag 27 november
De grote Duitse tegenaanval
Spectaculaire overwinning wordt mislukking – wat was er fout gegaan?
De toekomst van de tank na de Slag bij Cambrai
Duitse opvattingen over het tankwapen
De eerste tank-tegen-tank veldslag bij Villers-Bretonneux in 1918
Naschrift: de tank D51 - Deborah
Literatuur

 Inleiding
Al in het voorjaar van 1917 waren plannen ontwikkeld om in de omgeving van Cambrai een offensief in te zetten. Hierbij werden voor het eerst plannen gemaakt voor een gecombineerde aanval van tanks èn infanterie. Maar doordat er veel Britse troepen nodig waren voor de in dat jaar geplande veldslagen bij Mesen en Ieper waren deze plannen niet verder uitgewerkt.

De Derde Slag bij Ieper (zie veldslag Ieper III) was een mislukking geworden. Onder meer dan erbarmelijke omstandigheden en ondanks enorme aantallen slachtoffers was er aan Britse kant geen enkele voordeel behaald.

Bij deze slag waren op 31 juli ook 216 tanks ingezet; de grootste concentratie van tanks tot dan toe. De tanks bleken echter niet geschikt op het kapotgeschoten, moerassig geworden slagveld.

Slagveld bij Ieper in 1917

Ook bleek dat, ondanks de uitgereikte kaarten, oriëntatie op het slagveld nagenoeg onmogelijk omdat alle herkenningspunten waren verdwenen in deze immense modderpoel. De tanks liepen vast in de modder of doolden doelloos rond tot ze door de Duitse artillerie werden uitgeschakeld. Een groot probleem was ook dat de motoren voortdurend afsloegen omdat de romp van de Mark IV niet waterdicht bleek. Alleen bij St. Juliaan werd op drogere grond een aanval met tanks succesvol afgerond. In de drie maanden die de slag zich zou voortslepen, speelden de tanks dan ook geen rol van betekenis.

Het debacle bij Ieper was slecht voor het moreel van het Britse leger en voor het Britse thuisfront, waar duidelijk uitingen van oorlogsmoeheid waar te nemen waren. Ook de militaire situatie in Italië, waar eveneens Britse troepen waren ingezet, was zorgwekkend. Daarnaast was de strijd aan het Oostelijk Front nagenoeg voorbij, nadat in Rusland een revolutie had plaatsgevonden. Bij een eventuele beëindiging van de strijd daar, zouden Duitse troepen vrij komen die vervolgens aan het Westelijk Front konden worden ingezet.

Succesvol Brits offensief noodzakelijk geacht voor verbetering moreel
Er was daarom naar de mening van de Britse opperbevelhebber Sir Douglas Haig een offensief nodig dat de publieke opinie gunstig zou beïnvloeden en tegelijkertijd de militaire druk op het Britse front zou verminderen. Al in het het voorjaar van 1917 waren al plannen gemaakt voor een aanval op Cambrai. Deze plannen werden nu weer tevoorschijn gehaald en verder uitgewerkt.

klik hier voor een vergroting klik hier voor een vergroting
Cambrai lag ook bij de grote doorbraak in 1918 zwaar in de vuurlinie.
Bovenstaande foto's laten zien hoe Cambrai er uit zag na de oorlog.
(Klik op de foto's voor een vergroting)

Deze stad Cambrai was een voor de Duitsers zeer belangrijk regionaal spoorweg-knooppunt voor het omliggende gebied van waaruit een groot deel van het Duitse front werd bevoorraad. Als de aanval voorspoedig zou verlopen achtte men het zelfs mogelijk door te stoten naar Valenciennes en Douai en vervolgens tot aan de Frans-Belgische grens.

Op 16 september 1917 overhandigde generaal Byng aan de Britse opperbevelhebber Douglas Haig de eerste gedetailleerde plannen voor een aanval op Cambrai. Op 15 oktober startte Operatie GY. Vier infanteriedivisies zouden tezamen met vijf bataljons van de Tank Brigades van het 2e en 5e Britse Leger vanaf begin november voor tien dagen gezamenlijk oefenen om de aanval op Cambrai voor te bereiden.

Het gekozen aanvalsgebied
Het gekozen aanvalsgebied in de richting van Bourlon en Fontaine [officiële naam: Fontaine-Notre-Dame] werd aan twee kanten begrensd door een kanaal. Het waren het westelijk gelegen droogliggende Canal du Nord en het in het oosten gelegen Saint-Quentin Canal.

Omdat er in dit gebied sinds het begin van de oorlog niet gevochten was en er dus ook geen of nauwelijks artilleriebombardementen hadden plaatsgevonden, was het een relatief ongeschonden terrein. En omdat het een goede natuurlijke waterafvoer bezat, bestond er geen gevaar van moddervorming zoals dat in Vlaanderen wel het geval was. Het was daarom een zeer geschikt gebied om tanks in te zetten. Het enige natuurlijke obstakel was de Grand Ravine tussen Havrincourt en Ribecóurt.

Klik hier voor een vergroting
Overzicht van het gebied rond Cambrai 1917
(Klik op de plattegrond of
hier voor een grote kaart)

Het Duitse front bij Cambrai was, omdat het er zo rustig was, relatief dun bezet want niets wees op voorbereidingen voor een grootscheepse Britse aanval. De Duitsers zelf noemden het front bij Cambrai om die reden zelf het ‘Sanatorium für Flandern’! Het 2e Duitse Leger, dat van de hoofdweg Cambrai-Arras tot La Fère stond opgesteld, beschikte daarom slechts over zeven divisies.

Maar juist in deze periode werden in het frontgebied in het diepste geheim 476 Britse tanks aangevoerd, onderverdeeld in 376 gevechtstanks en 100 tanks voor ondersteunende diensten. Zij behoorden tot het Tank Corps dat sinds juli 1917 de nieuwe naam was geworden voor ‘Heavy Section Machine Gun Corps’.

De Britse tanks stonden onder leiding van brigade-generaal Hugh Elles. Grote hoeveelheden munitie en benzine werden aangevoerd tezamen met een enorm aantal infanteristen. Dit was het 3e Britse Leger dat onder leiding stond van generaal Byng.

Voorbereidingen in het diepste geheim getroffen
De eerste Britse troepen kwamen aan in het gebied op 7 november. Eerst kwam de artillerie daarna de infanterie en daarna de tanks. Het transport van de tanks vond ‘s nacht per trein plaats tussen 15 en 18 november. Er waren totaal 36 treinen nodig voor dit transport.

Tanks van het C Battalion worden aangevoerd per trein

De gewone soldaten en ook de lagere officieren waren niet op de hoogte van de aanvalsplannen. Er werd zelfs door de Britse legerleiding gesuggereerd dat de troepen zouden oefenen voor inzet in Italië. Op die manier konden krijgsgevangen genomen Britse soldaten de Duitsers bij de ondervraging dan ook weinig vertellen.

De voorbereidingen waren zo succesvol dat, ondanks enige aanwijzingen en verdachte geluiden, de Duitsers zelfs in de nacht van 19 op 20 november niet geloofden in een aanval van meer dan locale omvang.

Er werden tal van maatregelen getroffen die ervoor moesten zorgen dat de aanval voor de Duitsers een volkomen verrassing zou zijn. Zo werd aan de rand van het Bois de Havrincourt (Havrincourt Wood) een drie kilometer lang scherm van boomstammen opgericht waardoor de Britse troepenbewegingen niet waarneembaar waren.

Tanks type Mark IV werden vanuit Engeland overgebracht naar het tankpark in
Rolencourt. Vandaar werden ze per trein overgebracht naar de plaats van
bestemming. Om die reden zijn ook de geschutskoepels verwijderd.
Die werden apart per trein uit Engeland aangevoerd en ter plekke gemonteerd.

De meeste activiteiten vonden ’s nachts plaats. Voor zonsopgang werden alle tanksporen verwijderd en waren alle troepen verborgen, zodat Duitse piloten bij verkenningsvluchten die altijd rond 9.00 uur in de ochtend plaatsvonden, niets konden waarnemen van de activiteiten en troepenbewegingen.

De cavalerie werd verborgen onder camouflagenetten die over valleien werden gespannen. In de onderkomens waar normaal plaats was voor 14 manschappen werden nu 50 mannen ondergebracht. De tanks werden verborgen in het Bois de Havrincourt en het Bois d’Essart (Dessart Wood) of in provisorische onderkomens in de verlaten en in puin geschoten dorpen.

De eigenschappen van de nieuwe Mark IV tanks
Het type tank bij de aanval op Cambrai was de Mark IV met een bemanning van acht personen. Deze tank was de verbeterde versie van de Mark I en II en was in maart 1917 in productie genomen. Van het 'tussenliggende' type Mark III zijn slechts 50 exemplaren gemaakt. Door allerlei technische problemen is men hiermee niet verder gegaan maar direct overgestapt op de fabricage van de Mark IV.
 Het gewicht van de Mark IV was nog steeds 28 ton, de lengte was 8.06 m., de hoogte van 2.46 m. en en de breedte 4.11 m.

Tank Mark IV (female tank links en male tank rechts)
De afbeeldingen zijn afkomstig van de deksels van bouwpakketten van schaalmodellen.
Wie belangstelling heeft voor schaalmodellen van tanks uit de Eerste Wereldoorlog
klik hier.
Ongetwijfeld zijn ook in Nederland bouwpakketten van tank schaalmodellen te koop zie adressen.
Er zijn vele liefhebbers die met schaalmodellen fraaie WOI diorama's bouwen:
klik hier.

De belangrijkste verbeteringen vergeleken met de Mark I en II waren:
▬ het motorvermogen was vergroot tot 125 pk dat geleverd werd door een watergekoelde Daimler motor, de topsnelheid was, afhankelijk van de oppervlaktegesteldheid, ongeveer 6 kilometer per uur en de actieradius was nu 55 tot 60 kilometer afhankelijk van de omstandigheden.  Op het slagveld temidden van bomkraters, greppels en natte ondergrond was de behaalde snelheid in werkelijkheid niet veel meer dan een kilometer per uur. De tanks konden onder zware terreinomstandigheden de infanterie vaak niet bijhouden.
▬ de pantserplaten aan de zijkant waren van 10 mm dikte naar 12 mm gebracht
▬ de brandstoftank werd aan de buitenzijde van de achterkant van de tank bevestigd omdat daardoor explosies aan de binnenzijde van de tank voorkomen zouden worden. Dit was bij de Mark I en II vaak voorgekomen waardoor de bemanning geen schijn van kans had en levend verbrandde in de tank.
▬ er was een elektrische pomp aangebracht tussen de tank en de carburateur, waardoor de motor onder alle omstandigheden verzekerd was van de toevoer van brandstof.  Een grote verbetering in vergelijking met de Mark I en II.

Tank type MarkIV met de 'unditching beam' - de 'uitgraafbalk' bedoeld om meer greep
te krijgen als de tank was weggegleden in een greppel, granaattrechter of loopgraaf

De 376 gevechttanks waren voorzien van een ‘unditching beam’. Dit was een met staalplaat beklede balk die bevestigd was op de bovenzijde van de tank. Wanneer de tank in een loopgraaf of greppel gleed kon deze balk met kettingen aan de rupsbanden vastgemaakt waardoor de tank zichzelf kon bevrijden omdat de balk extra grip gaf.

    Klik hier om Mark IV tanks in vol bedrijf te zien op YouTube 

Ook werden de tanks voorzien van ‘fascines’ [houtbundels - takkenbossen]. Dit waren grote bundels (diameter 150 tot 200 cm.) bestaande uit palen, boomstammen of stevige takken die bij elkaar werden gehouden door kettingen en die bovenop de tank waren bevestigd. Deze bundels werden vanaf de tank in de loopgraven gegooid waardoor ze hun weg zonder oponthoud konden vervolgen. (Zie de foto hierboven waarop de tanks per trein worden aangevoerd.)

De tactiek bij het gebruik van de tanks
De tanks opereerden in groepjes van drie. Een leidende tank [head - 'male' tank met kanonnen en mitrailleurs] werd gevolgd door twee volgende tanks [body - twee 'female' tanks met machinegeweren]. De leidende tank moest over de prikkeldraad-versperring de eerste loopgraaf benaderen en daarin zijn houtbundel deponeren. Vervolgens moest deze leidende tank voor de loopgraaf linksaf slaan en de tegenstand in de eerste loopgraaf opruimen met de kanonnen en de mitrailleurs. 

De tweede tank reed over het houtbundel in de voorste loopgraaf door naar de tweede loopgraaf, deponeerde daarin haar houtbundel en sloeg linksaf om de tegenstand in deze tweede loopgraaf uit te schakelen met de mitrailleurs.

De derde tank reed vervolgens over de eerste en de tweede loopgraaf, deponeerde haar houtbundel in de derde en meestal laatste loopgraaf van het verdediging-systeem en sloeg ook linksaf  om de tegenstand in de derde loopgraaf uit te schakelen met behulp van de mitrailleurs.

De drie tanks werden gevolgd door de infanterie die ook behulpzaam bij het opruimen van overgebleven tegenstand in de loopgraven.

Luchtfoto van drie tanks in formatie tijdens de Slag bij Cambrai

De eerste tank was inmiddels gedraaid en teruggekeerd naar de plaats waar deze zijn houtbundel in de voorste loopgraaf had achtergelaten en kon daar de loopgraaf oversteken en vervolgens doorrijden over de houtbundel in de tweede en derde loopgraaf, daarbij gevolgd door de tweede en derde tank die inmiddels ook waren teruggekeerd van hun opruimactiviteiten bij de tweede en derde loopgraaf. 

De tankeenheid kon vervolgens worden ingezet om, gevolgd door de infanterie, het de vijandelijke artillerie en oprukkende vijandelijke reservetroepen lastig te maken.

Tanks voor ondersteunende taken
Naast de gevechtstanks waren er ook tanks speciaal toegerust voor ondersteunende taken zoals:
Wire Crusher tanks (32 stuks) die ook wel ‘WC tanks’ werden genoemd, die als taak hadden de prikkeldraadversperringen op te ruimen door middel van een anker dat aan een 10 meter lange ketting achter de tank was bevestigd.
Transporttanks, meestal gerepareerde onbewapende tanks van oudere types uit vorige veldslagen, waarachter drie sledes werden gehangen waarop 14 ton aan voorraden kon worden geladen.
Wireless tank, die voorzien was van een zender, een per bataljon.
Tanks die voorzien waren van rails en balken waarmee men bruggen kon bouwen.
▬ Tanks die een kabelhaspel droeg voor de aanleg van telefoonlijnen.

  Luitenant Stuart Hastie - Royal Tank Corps
De eerste golf gevechtstanks reed over het prikkeldraad van de Hindenburglinie. Daarachter kwam een groep tanks die speciaal was aangepast om het prikkeldraad aan te pakken. Die tanks moesten het prikkeldraad opruimen, zodat de cavalerie kon volgen. Elke tank was voorzien van een dreganker en een stalen kabel.

De tank reed in het kluwen prikkeldraad, liet het anker vallen, sloeg dan rechts af en reed dan evenwijdig met de prikkeldraadversperring. Zo rolde het anker over de grond en rolde het prikkeldraad eromheen.

Het trok ook de palen mee tot het een kluwen draad had dat zo hoog was als een huisje en de tank niet meer verder kon door het enorme gewicht van het prikkeldraad. De kabel werd doorgesneden en de tank volgde de andere gevechtstanks in de strijd en liet een gat van 60 meter achter dat van alle prikkeldraad en van elke paal was ontdaan.

De tank nog steeds een ‘rijdende doodkist’
Binnenin de tank was het pikdonker ondanks het feit dat het interieur witgeschilderd was. En het was er levensgevaarlijk doordat metaalsplinters lossprongen als de tank werd geraakt. De bemanning droeg daarom gezichtsmaskers.

De waarneming vanuit de tank was erg zeer beperkt. Er was een periscoop aan boord die tijdens de gevechten snel onbruikbaar bleek. Aan de voorzijde van de tank zaten twee kleppen die gebruikt werden door de commandant en de bestuurder.

Tijdens het gevecht werden deze gesloten en moest men door twee smalle gleuven turen om te zien hoe men moest manoeuvreren. Aan de zijkanten van de tank waren afsluitbare kijkopeningen aangebracht, van waaruit ook kon worden geschoten met een geweer of een revolver, maar die tijdens de gevechten geen praktische waarde meer hadden.

De temperatuur in de tank liep al snel op tot 45 graden Celsius en de atmosfeer werd verpest door de lucht van verbrande olie, benzine en uitlaatgassen, stoom uit het koelsysteem en zwavel en cordietlucht van de verschoten munitie. Ook liep de bemanning vaak brandwonden op omdat ze in aanraking kon komen met gloeiend hete motordelen.

Na enkele uren in actie te zijn geweest was de bemanning misselijk, moest vaak overgeven en dreigde flauw te vallen of raakte zelfs bewusteloos door de giftige dampen en koolmonoxidevergiftiging.

  ■ Kapitein F.R.J. Jefford (MBE) – Royal Tank corps
Na verloop van tijd waren alleen de chauffeur en ikzelf nog bij bewustzijn, dankzij het feit dat wij voor in de tank geen last hadden van de uitlaatgassen van de motor. Wij profiteerden van de frisse lucht die door de kijkgaten naar binnen kwam. Al eerder tijdens de slag merkte ik dat mijn bemanning buiten bewustzijn raakte.

De motor kwam tot stilstand en de vijand begon mijn tank te beschieten. Ik had vier man nodig om de tank weer aan te zwengelen en ik moest eerst met veel moeite drie man wakker schudden voordat we de motor konden starten om onszelf in veiligheid te brengen. De bemanning bleek er later zo slecht aan toe dat ze onmiddellijk naar Engeland werden overgebracht.

De meeste slachtoffers bij de tanks kwamen om het leven door verbranding. De gebruikte benzine was zeer vluchtig en kwam tot ontbranding door de kleinste vonkjes. Bij een voltreffer explodeerde de in de tank aanwezige munitie en explodeerden ook de benzinetanks. Bij een voltreffer raakten de deuren vaak ontzet en konden dan niet worden geopend. Bovendien waren de uitgangen zeer nauw waardoor men in noodgevallen de tank onmogelijk snel kon verlaten.

De communicatie met het hoofdkwartier vond plaats door middel van duiven die voorzien waren van een boodschap. Doordat de duiven aan dezelfde ontberingen als de bemanningen werden blootgesteld, waren zij na het loslaten vaak niet meer in staat te vliegen.

Verder beschikte men over vlaggen, vaantjes en gekleurde borden om de communicatie tussen infanterie en bijbehorende tanks op het slagveld te onderhouden. Met deze borden konden 39 verschillende berichten worden gegeven, zoals: ‘We are ditched’ of ‘OK. Infantery forward!’ Tijdens de gevechten bleken deze vlaggen, vaantjes en signaalborden vaak volkomen onbruikbaar.

De Britse aanval op dinsdag 20 november
Om 6.45 uur begon het bombardement: 1.000 Britse kanonnen beschoten met geconcentreerd vuur de Duitse linies waarbij het zwaartepunt lag op de dorpen Havrincourt, Flesquières en la Vacquérie.

Hierbij was een nieuwe Britse aanvalstactiek ontwikkeld: een kortdurende beschieting werd ingezet om het terrein niet om te woelen waardoor het ongeschikt werd voor oprukkende tanks. En nog tijdens de beschieting zouden de tanks oprukken om de Duitsers te verrassen die tijdens de inleidende beschietingen, zoals te doen gebruikelijk was, dekking hadden gezocht in hun onderaardse schuilkelders.

Tank Mark IV in opmars

In een van de voorste Mark IV tanks met de naam Hilda zat generaal Hugh Elles. Hij stond er absoluut op zijn mannen te leiden in deze eerste grote tankslag in de geschiedenis. Het was een van de weinige gelegenheden tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarbij een generaal zijn manschappen voorging in de strijd. Deze gebeurtenis werd binnen het Tank Corps even legendarisch als het speciale bericht dat door iedere tankcommandant aan zijn tankbemanning op de avond voor de slag werd voorgelezen uit naam van generaal Hugh Elles:

 
Special Order No 6

1. Tomorrow the Tank Corps will have the chance for which it has been waiting for many months - to operate on good going in the van of the battle.
2. All that hard work and ingenuity can achieve has been done in the way of preparation.
3. It remains for unit commanders and tank crews to complete the work by judgement and pluck in the battle itself.
4. In the light of past experience I leave the good name of the Corps with great confidence in their hands.
5. I propose leading the attack in the centre division.

Hugh Elles, Brigadier General
Commanding Tank Corps

En boven het gedonder van het bombardement uit klonk een vreemd gebrul: daar naderden overal logge, zwarte gevaarten, die de prikkeldraadversperringen onder zich platwalsten en ongehinderd op de Duitse loopgraven afkwamen.

  ■ Kapitein Horace Birks - Royal Tank Corps
We hadden eenvoudige kompassen in de tanks en zetten koers naar het vijandelijke front. Het was muisstil tot we het prikkeldraad van de vijand bereikten, dat was het startsein voor de kanonnen en die zorgden voor een prachtig spektakel, daar kon het variété in Crystal Palace niet tegen op.

De Duitsers vuurden niet eens terug. Het was de eerste keer in ons leven dat we de Duitsers zo op hun donder zagen krijgen en de manschappen waren enorm in hun nopjes.

Er kwamen geen salvo's van machinegeweren en dus zetten we onze tanks in, maar toen kwamen we bij die strook prikkeldraad. Die was heel indrukwekkend. Ze was zo' n twee meter hoog en op sommige plaatsen ruim 120 meter diep.

Natuurlijk, als we daar in vast waren komen te zitten en onze rupsbanden waren afgerukt, dan waren we er geweest. In plaats daarvan maakten de tanks grote stroken vrij in het prikkeldraad en de Schotten, die met ons meevochten, stroomden door de gaten die we gemaakt hadden en we kwamen allemaal aan de andere kant, in de diepe vallei die bekendstond als de Grand Ravine.

'Tanks!, tanks!’ werd er geschreeuwd en de Duitse soldaten kwamen tevoorschijn uit hun schuilplaatsen. Verzet baatte niet – langzaam maar onstuitbaar waggelden de plompe tanks naar voren, veegden de loopgraven leeg, reden over de loopgraven heen en lieten grote bressen in de prikkeldraadversperringen achter. En via deze bressen drong, achter de tanks, de Britse infanterie de Duitse loopgraven binnen waar korte metten werden gemaakt met de lamgeslagen Duitsers die zich bij honderden tegelijk overgaven.

Britse aanval een volledig succes
Binnen enkele uren doorbraken de tanks van Elles en de infanterie van Byngs 3e Britse Leger op talrijke plaatsen de Duitse verdedigingslinie tussen Havrincourt en Banteux. De zo zeer sterk geachte Siegfriedstelling (die door de Britten de Hindenburglinie werd genoemd) ging in deze Duitse sector geheel verloren.

klik hier voor een vergroting
Luchtfoto van de Siegfriedstellung (Engels: Hindenburg Line)
Let op de prikkeldraadversperringen en de drie verdedigingsloopgraven achter elkaar.
(Klik op de foto of hier voor een grote foto)

In de namiddag trokken de Britten al over de grote weg Cambrai-Bapaume.
De Britse 20e divisie nam Marcoing in. Hier gingen de eerste tanks even na 13.00 uur over het St. Quentinkanaal. Ook drongen Britse tanks het stadje Noyelles binnen.

Urenlang was er die middag zowel ten westen als ten oosten van het St. Quentin- kanaal over kilometers frontbreedte geen enkele Duitse soldaat te vinden vóór Cambrai. De Duitse frontlinie was volkomen verdwenen. Maar de Britten merkten deze gaten niet op of misten de reservetroepen om van deze doorbraken gebruik te maken.

Het Duitse opperbevel vreesde dat deze aanval het begin van een grote strategische doorbraak zou zijn waarvoor Cambrai als doel was gekozen. Generaal Erich Ludendorff, als hoogste Duitse commandant, gaf direct zijn orders: alle beschikbare Duitse reservedivisies moesten zo snel mogelijk naar Cambrai worden overgebracht. De vraag was of deze troepen hier op tijd, dus vóór de gevreesde grote doorbraak, zouden aankomen.

  ■ Korporaal Jack Dillon - Royal Tank Corps 2e battalion
De locatie voor de Slag bij Cambrai werd zo goed geheimgehouden dat zelfs mijn kolonel haar niet kende. Eigenlijk kreeg ik het voor hem te horen, want ik leidde de verkenningspatrouille van de compagnie. Het was mijn taak de weg naar het front te verkennen. Ik vond Cambrai een uitstekende keuze, want er was nog niet veel gevochten en je kon er goed opschieten. Het waren de beste omstandigheden die je je maar kon wensen.

Ik plande de route op de gebruikelijke manier. We hadden onze frontbreedte toegewezen gekregen en ik wist dus waar we heen moesten. Nu moest ik uitzoeken hoe we daar konden komen. Het was een behoorlijk eind, bijna vijf kilometer, en ik liep het eerste stuk overdag en de rest in de avondschemering.

Ik spande een lint van de frontlijn terug over de weg die ik verkend had. Ik omzeilde de dingen die we wilden vermijden en uiteindelijk kwam ik aan waar de tanks zouden vertrekken. Op het eind van die dag was ik behoorlijk moe en ging ik een uur of twee slapen.

Op de avond van 20 november [1917] brachten we de tanks naar hun startpositie. De tanks werden bestuurd door reservechauffeurs en reserveteams, zodat de echte tankbemanningen fris zouden zijn voor de strijd. Ik was hun gids en terwijl ik hen naar hun plaats bracht, maakte ik iets heel vervelends mee.

Onze zaklantaarns waren grotendeels verduisterd en ik raakte vast in een stuk prikkeldraad. De eerste tank kwam op me af en ik kon hem niet tegenhouden of me losmaken uit het prikkeldraad. Ik zwaaide met mijn zaklantaarn en hield die zo hoog mogelijk.
 
klik hier voor een vergroting
Het slagveld tijdens de gevechten op een stereofoto
Klik op de foto voor een vergroting of klik
hier

Uiteindelijk stopte de bestuurder met een hoop gevloek, want dat was ongehoord. Je mocht nooit met een licht naar een bestuurder zwaaien, want dat verblindt hem. Maar dat was nu net mijn bedoeling geweest. Ik had de tank laten stoppen en werd bevrijd.

De tanks maakten ongelooflijk veel lawaai als je erin zat, maar erbuiten, op een zachte ondergrond, viel het best mee. En we hadden de luchtmacht erbij gehaald als dekmantel voor het lawaai van de tanks. We bereikten onze aanvalspositie, zo'n 150 meter achter onze eigen frontlijn, en de tanks werden zo opgesteld dat, zodra het bevel gegeven werd, ze gewoon vooruit moesten rijden.

Bij het begin van de aanval rukten de tanks op onder een spervuur dat het terrein in het geheel niet beschadigde, onze artillerie bestookte de Duitse artillerie met zo'n precisie dat die de tanks niet meer onder vuur nam.

Het was mijn taak beschikbaar te zijn voor het geval van verdere ontwikkelingen. Opeens, totaal onverwacht, kwam er een kogel die mijn duim doorboorde en mijn wandelstok meters ver uit mijn hand liet vliegen.

Maar het front spleet als vanzelf open. De loopgraven van de Hindenburglinie waren ons hoofddoel. Die linie kon je onmogelijk met tanks oversteken, daarvoor was ze veel te breed en te diep, maar ons vindingrijke hoofdkwartier bedacht een oplossing. Er werden enorme bundels takkenbossen aangevoerd. Ze hadden een doorsnee van zo' n anderhalve meter, het waren net enorme rollen toiletpapier.

Ze wogen anderhalve ton en werden voorop de tank meegevoerd. Wanneer de tank bij de loopgraaf kwam, werd de bundel losgelaten en die viel op de bodem van de loopgraaf. Zo kon de tank naar beneden rijden, op de bundel terechtkomen en aan de andere kant weer naar boven kruipen. Zo werd de Hindenburglinie, die niet overgestoken kon worden, toch overgestoken.

De Duitsers waren allesbehalve blij met onze onsportieve list. Zij dachten dat die tanks met die vreemde dingen op hun voorkant nieuwe helse machines waren. Maar het werkte. En voor het eerst konden we een tactische manoeuvre uitvoeren, want we hadden veel tanks in de strijd gegooid.

Het front was niet erg breed en er waren zo'n 350 tanks ingezet. Het plan was een loopgraaf uit te kiezen en op een bepaald punt zou de voorste tank die oversteken en naar de volgende loopgraaf oprukken. De twee tanks erachter zouden over dezelfde bundel takkenbossen oversteken en links en rechts afslaan om de loopgraven aan de zijkanten schoon te vegen. Dan zou de laatste tank volgen en de eerste voorbijrijden, zodat de tactiek bij de volgende loopgraaf herhaald kon worden.
 

Zou zouden de Duitsers de tanks hebben zien aankomen
volgens een tekening van de Duitse kunstenaar Harmon

Het schoonvegen van de loopgraaf aan de zijkanten was vrij eenvoudig, want elke tank hoefde maar met één kant af te rekenen. De tank hield half over de loopgraaf halt en vuurde er een paar zesponders in en daarmee was die wel schoongeveegd. De infanterie volgde en nam de posities dan over.

Het was fantastisch om te zien hoe ze met het prikkeldraad afrekenden. Ik had nog nooit zulke stapels prikkeldraad gezien. De versperringen waren 10 meter breed, ruim een meter hoog en zo dicht dat je er nauwelijks een bezemsteel doorheen kon steken. De artillerie zou een eeuwigheid nodig gehad hebben om dat te vernietigen. Maar de tanks reden er dwars doorheen en ik ben persoonlijk in hun spoor gevolgd. Ik liep er dwars doorheen alsof ik op een tapijt liep.

De tanks ruimden het prikkeldraad op, zodat er grote aantallen troepen doorheen konden. Ze reden er met twee tanks in, lieten stalen ankers vallen, reden van elkaar weg en volgden dan de versperring en sleepten de ankers achter zich aan. Zo maakten ze van de enorme prikkeldraadversperringen grote kluwens van zo'n zes meter hoog, en wanneer het terrein zo geruimd was, lag er niets meer, zelfs geen onkruid.

We braken door de vier Duitse linies en ondervonden niet al te veel tegenstand. De tanks waren al vlug bij hun doel en toen ik ze bereikte, zaten de tankbemanningen een beker thee te drinken.

De infanterie volgde en vroeg zich af hoe het kon dat ze er zo makkelijk doorheen waren geraakt. Het was een echte doorbraak. Als de cavalerie ter plaatse was geweest om de aanval voort te zetten, zoals de bedoeling was geweest, dan had het een grote Britse overwinning kunnen zijn.

We hadden kunnen doorstoten tot de andere kant van Cambrai en dan zou er een volledige herordening van de Duitse linie hebben plaatsgevonden. Maar de cavalerie kwam pas uren later en er waren niet genoeg manschappen ter plaatse.

Rond tien uur 's ochtends werd het duidelijk dat de Duitsers drie tot vier uur de tijd hadden om zich te reorganiseren. Tegen die tijd waren de tanks onder dekking van de infanterie teruggetrokken en had ik geen enkele reden om daar nog te blijven. Ik vond een munitiemuildier zonder last, sprong op zijn rug en kreeg een lift naar een veldhospitaal waar ze mijn duim verzorgden. Hij was er erg aan toe, maar hij genas prima en later kon ik hem weer volledig gebruiken.

Toen de avond viel, stonden de Britten ten westen van Cambrai aan de rand van Moeuvres, Anneux en Cantaing. Vlak ten zuiden daarvan hadden ze Graincourt, Noyelles, Marcoing en Masnières in handen. Ook waren ze ten oosten van het St.-Quentinkanaal tot in Rumilly doorgedrongen.

    Raadpleeg hier de kaart van de Slag bij Cambrai

De Britse aanval was een dus volledig succes geworden. De troepen hadden over een frontbreedte van 20 kilometer diep een terreinwinst geboekt van ongeveer 7 kilometer. Er waren 10.000 Duitsers krijgsgevangen genomen en er waren 123 kannonen en 281 machinegeweren veroverd. Toen dit succes in Groot-Brittannië bekend werd, reageerde men zeer enthousiast; in hele land werden de kerkklokken geluid!

Het verloop van de strijd op woensdag 21 november
Pas in de middag van deze woensdag kwamen de Britten weer in beweging. Het was hetzelfde patroon als de vorige dag - de tanks gingen voorop, de infanterie volgde. En weer bleken de Duitsers tegen de Britse tanks nauwelijks verweer te hebben.

De Britse aanval concentreerde zich nu sterk op het ten westen en zuidwesten van Cambrai gelegen gebied: het Bois de Bourlon (Bourlon Wood), het dorp Bourlon en de dorpen Fontaine en Cantaing.

Britse infanteristen trekken op samen met de tanks

De Duitsers moesten opnieuw terugtrekken. Ze ontruimden Cantaing in de middag. Om 17.30 uur reden de Britse tanks Fontaine binnen dat gelegen was op een drietal kilometers van Cambrai.

De avond van deze woensdag was van beslissende betekenis. Hoewel praktisch alle Duitse linies in het aanvalsgebied onder de voet waren gelopen, had een grote Britse doorbraak nog steeds niet plaatsgevonden. Ook de Britse cavalerie wachtte nog steeds op het bevel naar voren te gaan.

De reden was dat het succes van de opmars het Britse hoofdkwartier min of meer had verrast. Voor een grote strategische doorbraak waren bij nader inzien eigenlijk te weinig reservetroepen beschikbaar en het was inmiddels bekend dat de Duitsers druk doende waren hun reservetroepen naar Cambrai te dirigeren.

  Raadpleeg hier de kaart van de Slag bij Cambrai

De vraag was nu of de bereikte frontlijn kon worden geconsolideerd. Ook dat bleek een probleem: de tot dusverre ingenomen Britse posities waren nog niet zodanig dat men het tot dan veroverde gebied goed kon verdedigen. Daarvoor moest eerst het hooggelegen gebied ten noorden van de grote weg Cambrai – Bapaume worden veroverd. Zo begon een dagenlange, verwoede strijd om het Bois de Bourlon (Bourlon Wood) bij het dorp Bourlon en om Fontaine, het belangrijkste gedeelte van de heuvelrug van Bourlon.

De strijd om Fontaine op donderdag 22 en vrijdag 23 november
Op donderdag 22 november heroverden de Duitsers Fontaine, na zware man tegen man gevechten. De volgende dag trokken de Britten het dorp opnieuw binnen. Nu pasten de Duitsers een nieuwe tactiek toe. De voorste eenheden lieten de Britse tanks bewust door. Onmiddellijk daarna betrokken ze weer hun oorspronkelijke linies en bevochten daarna de Britse infanterie die de tanks op enige afstand volgde. Zo probeerde men, vaak met succes, tanks en infanterie van elkaar te scheiden.

Na de gevechten achtergebleven tank in het dorp Fontaine-Notre-Dame

In Fontaine zelf bleken de tanks in de nauwe straten zeer kwetsbaar te zijn, zeker als de Duitsers kans zagen bundels samengebonden handgranaten onder de logge gevaarten te gooien. Elf tanks gingen die dag in vlammen op. De overige trokken zich bij het vallen van de avond terug.

Het was de Britten niet gelukt Fontaine weer in handen te krijgen. Op 27 november gingen ze opnieuw in de aanval. Nog voor de middag hadden ze het dorp opnieuw in handen. Maar aan het eind van dezelfde middag heroverden de Duitsers het dorp.

De Slag om Bourlon op zaterdag 23 november t/m dinsdag 27 november
Buitengewoon hevig werd ook gevochten om het Bois de Bourlon en het nabijgelegen dorp Bourlon. Het bezit van dit hooggelegen terrein was voor de Britten een absolute voorwaarde om het reeds veroverde gebied te kunnen behouden. Op zaterdag 23 november begon 'de Slag om Bourlon' - in feite een veldslag om een gehucht en een klein bos.

Tientallen tanks schoven langs de boshellingen omhoog. Er werd maar geringe tegenstand geboden en de Britten kregen het bos al na enkele uren in handen en bereikten in het westen en het oosten de rand van het dorp. Daar boden de Duitsers zware tegenstand en het dorp zelf kon niet worden veroverd. Tegen de avond waren de Britten zelfs vrijwel overal weer naar de bosrand teruggedreven.

Britse tank 'Flying Fox' door een brug gezakt in de buurt van Masnières.

De volgende dag herhaalden de Britten hun aanval. Ditmaal met succes: tegen de avond hadden ze het dorp Bourlon in handen. De volgende ochtend (het was zondag 25 november) werden ze echter na zware gevechten door de Duitsers verdreven. Twee dagen later (dinsdag 27 november) probeerden de Britten het nog één keer. Maar de Duitsers boden hardnekkige tegenstand en de Britten slaagden er niet in het dorp te veroveren.

De situatie was duidelijk: de Britten waren niet in staat de heuvelrug van Bourlon te veroveren: de troepen waren volkomen uitgeput en reservetroepen waren in onvoldoende mate beschikbaar.

De grote Duitse tegenaanval
Op diezelfde dinsdag vond in Le Cateau op het hoofdkwartier van het Duitse 2e Leger een belangrijke bespreking plaats. Aanwezigen daarbij waren kroonprins Rupprecht van Beieren (opperbevelhebber van de 2e Legergroep) en generaal Erich Ludendorff.

Het moment leek gekomen om de Duitse tegenaanval in te zetten: de Britse troepen waren duidelijk uitgeput en in het defensief gedrongen. De door de Britten gevormde uitstulping [saillant] in de frontlijn vroeg er als het ware om om afgesneden te worden. Daarbij waren in de periode van 20 tot 29 november in 730 treinen voldoende Duitse troepen aangevoerd: dertien infanteriedivisies waren op dat moment beschikbaar.

Veroverde loopgraaf nabij Havrincourt november 1917

Het Duitse aanvalsplan was duidelijk: een hoofdaanval inzetten vanuit het oosten (omgeving Banteux) in de richting van Gouzeaucourt en een tweede aanval vanuit het noorden (omgeving Bourlon) in zuidelijke richting. De bedoeling was de Britten te omsingelen en tot overgave te dwingen. De Duitse aanval begon op vrijdag 30 november.

Na een korte voorbereidende beschieting doorbraken Duitse stormtroepen in het oosten rond 9.00 uur de Britse linies. De Britten waren volkomen verrast: omvangrijke Britse eenheden werden volkomen onder de voet gelopen. Tegen 12.00 uur barstte ook in het noorden, vanuit het gebied ten westen van Bourlon, de strijd los. Hier stootten de Duitsers echter direct op hevige tegenstand maar maakten desondanks goede vorderingen.

De gevechten gingen door tot vrijdag 7 december. De Duitsers hadden weliswaar geen kans gezien de Britten een vernietigende nederlaag toe te brengen, maar in het noorden was het grootste deel van het eerder verloren gebied heroverd. Daarnaast hadden ze in het oosten zelfs terrein bezet dat voordien in Britse handen was. Op deze dag had de Duitse tegenaanval het Britse offensief van 20 november ongedaan gemaakt.

Het aantal slachtoffers (dood, vermist, gewond of krijgsgevangen genomen) in de periode tussen 20 november and 8 december wordt door het 3e Leger opgegeven als 44.207. Een aantal van 6.000 van hen werd krijgsgevangen gemaakt tijdens de grote Duitse tegenaanval op 30 november. Het aantal vijandelijke slachtoffers wordt in het British Official History op ongeveer 45.000 geschat.

  ■ Luitenant Miles Reinke – Garderegiment Dragonders, Duitse Leger
Toen de eerste tanks de eerste linie doorbraken, dachten we dat we gedwongen zouden worden ons terug te trekken naar Berlijn. Ik herinner me één tank, hij droeg de naam Hyena, die heel ver was opgerukt en toen plots halt hield, op ongeveer 1.000 meter van mijn ondiepe loopgraaf.

Sommige jongens van ons ontdekten algauw dat ze een tank konden stoppen door via het mangat bovenaan een handgranaat naar binnen te gooien. Toen dat bekend raakte, beseften de jongens dat er een zwakke plek was; hun machinegeweren konden niet elk punt rond de tank bestrijken en dat was wel heel belangrijk om de tank te verdedigen.

Ik had eigenlijk erg te doen met de jongens in de tanks, want die konden onmogelijk wegkomen. Wanneer een man de bovenkant van de tank kon bereiken, was de tank ten dode opgeschreven en de arme bemanning kon niet meer ontsnappen. De brandstof vloog dan in brand en na anderhalf of twee uur zagen we alleen nog brandende tanks voor en achter ons.
 

En de infanterie die achter de tanks oprukte, moest ook nog afrekenen met de machinegeweren van onze infanterie. Die deden het nog altijd, want de Britse artillerie had moeten stoppen met vuren toen de tanks oprukten en natuurlijk waren sommige van onze mitrailleurnesten ongedeerd gebleven.

Hoe dan ook, de aanval viel stil en we wachtten op regimenten van de cavalerie die ons zouden inladen en naar Berlijn rijden. Maar tot onze opperste verbazing gebeurde dat niet. Nadat er nieuwe troepen waren aangevoerd naar de plaats waar de Britse tanks een doorbraak hadden geforceerd, stabiliseerde de situatie.

We werden opnieuw geformeerd en daarna konden we heel duidelijk de plek zien waar de Britse tanks zich door de Duitse linies heen hadden geboord. Een paar dagen later voerden we een tegenaanval uit. De eerste dag leverde dat niets op. Ook de tweede dag niet, maar de derde dag lukte het ons toch.

Spectaculaire overwinning wordt mislukking – wat was er fout gegaan?
De Britse wens om het jaar 1917 met een spectaculaire overwinning te beëindigen, was niet in vervulling gegaan. Wat was er fout gegaan? De verklaring schuilt in het feit dat de aanval oorspronkelijk was gepland als een tactische aanval, met de bedoeling het Duitse leger ter plaatse zware verliezen toe te brengen en stellingen en geschut te vernietigen. Het offensief was dus oorspronkelijk niet gepland om terrein te veroveren.

In een loopgraaf vastgelopen tank tijdens de Slag bij Cambaria

Tijdens de voorbereidingen werd de vraag gesteld: als een doorbraak in het front eventueel zou slagen, zou het dan zinvol zijn om door te gaan? En daarom werden aan de zeven infanteriedivisies en het tankkorps ook nog drie cavaleriedivisies toegevoegd. En hier lag de kern van de mislukking.

Voor een tactische doorbraak had men troepen genoeg en die tactische doorbraak was een succes gebleken. Maar voor een strategische doorbraak van groot formaat had men niet genoeg reservetroepen achter de hand, zodat men zich uiteindelijk moest ingraven in de bezette gebieden of zich terug moest trekken als de Duitsers zouden aanvallen.

De Duitsers waren over de resultaten natuurlijk zeer tevreden: de grote Duitse tegenaanval had de Geallieerden bewezen van een Duitse militaire nederlaag nog steeds geen sprake kon zijn en de frontlinie was in ieder geval weer gestabiliseerd.

De toekomst van de tank na de Slag bij Cambrai
De slag bij Cambrai werd uiteindelijk een mislukking maar de schuld daarvoor kon niet worden gelegd bij de tanks. Ze hadden bij het begin van de slag een briljant succes geboekt. Daar hadden ze, zo bleek in december, ook zwaar voor moeten betalen.

Van de 4.000 officieren en manschappen van het Tank Corps die hadden deelgenomen aan de slag waren 1.153 gedood of gewond geraakt. Minder dan een derde deel van de tanks kwam uiteindelijk terug op de basis en alle teruggekeerde tanks waren zwaar beschadigd en moesten volledig worden opgekalefaterd. In feite zouden slechts weinigen hiervan opnieuw in actie komen omdat in 1918 de sterk verbeterde Mark V tank in gebruik werd genomen.

Toch zou de tank een keerpunt blijken te zijn in de manier van toekomstige oorlogvoering want ondanks de uiteindelijke mislukking bij Cambrai was duidelijk geworden dat de voordelen van de tank bij offensieve acties zeer groot waren. Er werd dan ook gepleit voor een sterke verhoging van de productie van het aantal tanks en een grotere inzet van tanks bij toekomstige offensieven.

Productie van tanks in de periode 1916-1918
Jaar Gr-Brittannië Frankrijk Duitsland  Italië USA
1916 150 ----- ----- ----- -----
1917 1.277  800 ----- ----- -----
1918 1.391 4.000  20 6 84
Totaal 2.818 4.800 20 6 84

Ook in 1918 zetten de Britten en ook de Fransen (en in veel mindere mate de Italianen en de Amerikanen) honderden tanks in, maar een beslissende invloed op de oorlogsvoering had dit wapen nog niet, vooral vanwege de vaak optredende mechanische problemen, de effectieve Duitse anti-tankwapens en nieuwe tactische verdedigingsmethoden en door (geallieerde) meningsverschillen over de vraag hoe dit tankwapen op het slagveld op de meest doelgerichte manier kon worden ingezet.

Duitse opvattingen over het tankwapen
Aan Duitse kant meende men dat de tank wel degelijk te bestrijden was als men er maar in slaagde, zoals dat onder andere in Bourlon en Fontaine was gebeurd, oprukkende tanks en vijandelijke infanterie van elkaar scheidden. Daarna konden de tanks worden aangevallen die, geïsoleerd optredend, voor lichte veldartillerie en zware mitrailleurs zeer kwetsbaar bleken.

Britten bestuderen het zwaar kaliber 'anti-tank-geweer' waarmee tanks werden
 uitgeschakeld. Deze geweren werden niet geschouderd maar aangelegd
 tegen een speciaal daarvoor ontwikkeld onderstel.
 

Ook hadden de Duitsers al binnen korte tijd het eerste anti-tankwapen ontwikkeld waarmee de Britse tanks effectief konden worden uitgeschakeld. Het was een groot kaliber uitvoering van het infanteriegeweer, met bijbehorende speciale munitie. Ook waren er Duitse troepen getraind in het gebruik van veldgeschut tegen aanvallende tanks.

De enige tank die tijdens de Eerste Wereldoorlog door Duitsland werd geproduceerd
en in actie kwam was de A7V.
Dit was een tank met een gewicht van 33 ton, uitgerust
me
t twee Daimler motoren van 100 pk elk
, 16 koppige bemanning,  een 70 mm-kanon,
en 6 machinegeweren.
Het productieaantal was slechts 20 stuks.

De tank was dus naar de mening van de Duitsers zeker niet onoverwinlijk en men sloeg de militaire gebruikswaarde ervan daarom niet zo hoog aan. Het gevolg was dat Duitsland geen haast zette achter de productie van tanks.

Dit werd mede ingegeven door het feit dat, door de toenemende oorlogsschaarste in Duitsland, er nauwelijks productiemogelijkheden aanwezig waren. Pas bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zou blijken dat de Duitse opvatting over het gebruik van tanks volkomen was veranderd!

Door de laatste grote Duitse tegenaanval tijdens de slag bij Cambrai, vielen een groot aantal Britse tanks in Duitse handen. Sommigen bijna onbeschadigd - beschadigde exemplaren waren waren bruikbaar om onderdelen uit te slopen. Uiteindelijk waren de Duitsers in staat om 60 (sommige bronnen noemen 50 of 80) Mark IV tanks weer rijklaar te maken.

Buitgemaakte Britse tank (Beutepanzer) aan het werk in Duitse dienst in 1918

Er werden zes Beutepanzerabteilungen opgericht, ieder met vijf Mark IV's met nieuwe Duitse kanonnen en Maxim machinegeweren. Ze werden beschilderd met Duitse kentekens om verwarring te voorkomen. Deze buitgemaakte Mark IV tanks werden gebruikt bij latere Duitse aanvallen bij Amiens in 1918.

De eerste tank-tegen-tank veldslag bij Villers-Bretonneux in 1918
In de buurt van de stad Amiens vond in 1918 ook de eerste tank-tegen-tank veldslag plaats. Dat was bij het dorp Villers-Bretonneux  waar op 24 april 1918 drie Britse Mark IV tanks tegenover een groep van drie Duitse A7V tanks stonden.

De Britse tanks vuurden als eersten op de Duitse tanks. Eén van de Duitse tanks vuurde twee salvo’s terug waardoor twee Britse tanks werden uitgeschakeld. Om onduidelijke redenen trokken de drie Duitse tanks zich daarna terug.

De overgebleven Britse tank onder leiding van luitenant Frank Mitchell, achtervolgde daarop de Duitse tanks en vuurde daarbij drie schoten af. De leidende Duitse tank werd daarbij geraakt en tot stilstand gedwongen. De bemanning verliet de tank waarbij vijf van hen werden uitgeschakeld door het Britse machine-geweervuur uit de tank.

De tank van Mitchell zette daarna de achtervolging in op de beide overgebleven Duitse tanks maar werd daarbij geraakt door een Duitse vliegtuigbom en later nog eens door een schot uit een van de Duitse tanks. Mitchell besloot tot de terugtocht. Hierbij werd de tank geraakt door Duits artillerievuur maar de Britse bemanning weet te ontkomen en terug te keren naar de Britse linies. De eerste-tank-tegen-tank veldslag uit de militaire geschiedenis was hierbij ten einde gekomen.

Naschrift: de tank D51 - Deborah
In Flesquières deed het verhaal de ronde, dat er ergens in de buurt van het dorp nog een tank uit de Eerste Wereldoorlog begraven zou liggen. Een van de oude dames in het dorp, die in 1917 zeventien jaar oud was, herinnerde zich dat ze had gezien dat Russische krijgsgevangenen, op bevel van de Duitsers, een tank in een grote kuil duwden.

Philippe Gorczynski en Jean-Luc Gibot, twee mannen die geïnteresseerd waren in de tankslag bij Cambrai, stelden een onderzoek in. Hierbij kwamen ze tot de conclusie, onder andere met behulp van infrarood film en elektronische metaaldetectie, dat zich in een bepaald weiland inderdaad een groot metalen voorwerp onder de grond bevond.

Op 5 november 1998 werd met graven begonnen – na een uur werd het dak van een tank ontdekt. Op 20 november, 81 jaar na de slag, was de tank met hulp van het Royal Tank Regiment geheel uitgegraven. Het was een ‘female’ Mark IV tank, die uitgerust was met machinegeweren (de aanwezigheid van kanonnen zou immers wijzen op een ‘male’ tank).

De uitgegraven Deborah tank

Aan de hand van een brief werd de tank geïdentificeerd als de D51 die de naam Deborah droeg. Die brief was geschreven door de kleinzoon van tankcommandant tweede luitenant F.G. Heap. Tijdens de slag bij Flesquières commandeerde hij de D51 tank. De beschadiging aan de tank die in de brief beschreven werd, bleek dezelfde te zijn als die van de tank die in Flesquières was opgegraven.

Toen in 1917 de D51 de laatste huizen van een straat in Flesquières gepasseerd was, werd zij door Duits veldgeschut getroffen en buiten gevecht gesteld. Vier van de bemanningsleden kwamen daarbij om het leven en werden na de slag naast het wrak van de tank begraven. Luitenant Heap wist met de rest van de bemanning te ontkomen. Tank D51 bleek achteraf de tank te zijn, die op 20 november 1917 van alle tanks de meest vooruitgeschoven positie had bereikt. Voor zijn optreden op die dag ontving luitenant F.G. Heap de Military Cross medaille.

Deborah D51 zoals thans tentoongesteld in de schuur in Flesquières (foto Eric Wils)

De tank Deborah D51 wordt tentoongesteld in een schuur in het dorpje Flesquières, een twintigtal kilometers van Cambrai. De bedoeling is dat deze schuur ooit een klein tankmuseum gaat worden. Voor informatie over openingstijden en een rondleiding kan contact worden gezocht via visite.org@tank-cambrai.com Voor meer informatie kan men de website Tank of Flesquieres Official Website raadplegen.       

Literatuur
▬ 
Bryan Cooper - Tank battles of World War 1
▬ A. Smithers - The First Great Tank Battle 1917
▬ 
Max Arthur - Forgotten Voices
▬ Peter Barton - De Somme - Slagveld van Wereldoorlog I
▬ 14 -18 De Eerste Wereldoorlog - diverse artikelen
▬ David Fletcher - British Tanks 1915-1919
▬ David Fletcher - Tanks and Trenches
▬ John Glanfield - The Devil's Chariots
▬ History of Cambrai. Maj. Gen. Sir Percy Hobart: Stand To! Nr. 54, 55 en 56.
▬ Walter Kortooms en Frans Vossenaar – De tank bij Flesquières
     artikel in Opgediept Verleden deel V – uitgegeven door WFA-Nederand 2004


© 2008 - Menno Wielinga. De auteursrechten van bovenstaand artikel berusten bij de auteur.
Voor gehele of gedeeltelijke overname is dan ook uitdrukkelijk voorafgaande schriftelijke toestemming vereist van de auteur. Contact kan worden opgenomen via emailadres:  .

naar tank pagina - naar homepage


eXTReMe Tracker