vorige hoofdstuk | inhoudsopgave | volgende hoofdstuk

Ontwikkeling van de vuurkracht 

Per middelgroot en zwaar mortier werd gemiddeld niet meer dan 25 à 30 m grondbreedte 'ter bewerking' toegewezen: een batterij houwitsers (zware mortieren) kreeg 100 à 150 m toegewezen. In de loop der tijd werd een nieuw stelsel van samenwerking tussen infanterie en artillerie ingevoerd: de vuurwals of het vuurgordijn (Engels: ‘barrage’). 

De Duitsers hadden dit systeem als eersten ontwikkeld aan het Russische front. Bij deze vuurwals werd door zoveel mogelijk vooruitgeschoven batterijen gevuurd op de voorste vijandelijke linie, waarna dit vuurgordijn volgens een tevoren vastgesteld tijdschema, bijvoorbeeld om de 5 à 8 minuten, telkens naar voren werd gelegd (bijvoorbeeld over 100 of 200 meter). Radiocontact tussen voorste troepen en artillerie bestond nog niet en telefoonverbindingen werkten meestal niet. Hierdoor kwam het meerdere keren voor dat de vuurwals te snel of te langzaam ging. In beide gevallen was de eigen infanterie het slachtoffer. Wanneer de infanteristen werden beschoten door te kort liggend eigen artillerievuur sprak men bij de Engelsen eufemistisch over ‘friendly fire’ dat soms tot grote verliezen aanleiding gaf. Het is meerdere keren voorgekomen dat uit de frontlinie terugkerende infanterie de artilleristen te lijf gingen vanwege de verliezen die zij in de voorste linie hadden geleden door dit 'friendly fire'.

Beeld van het slagveld bij Lens in september 1917 waarbij vlammenwerpers zijn ingezet - klik hier voor vergroting

Gronddekkingen moesten, om bescherming te bieden tegen artilleriegranaten van de steeds zwaarder wordend kaliber, van steeds zwaarder materiaal worden gemaakt. Zo ontstond de toepassing van gewapend beton, zowel voor schuilplaatsen als voor gevechtsposten. De verzamelnaam voor dit soort onderkomens was: bunkers. Kleinere bunkers geschikt voor mitrailleur opstellingen, die vaak kant en klaar in de voorste linies werden afgeleverd, werden door de Engelsen 'pill boxes' genoemd. 

Het gebruik van beton in de voorste linies bracht veel logistieke problemen met zich mee en het onttrekken aan de luchtwaarneming van aanvoer en opslag van de grote hoeveelheden bouwmaterialen vormde een enorm probleem. Dat beton pas een maand na het storten uitgehard was leidde er toe dat na verloop van tijd geprefabriceerde onderdelen voor de bunkers in het achterland werden gefabriceerd. Ze werden dan kant en klaar (per smalspoor) overgebracht naar de frontlijn waar ze dan door speciale troepen in de nachtelijke uren werden geplaatst. In het achterland bij Verdun zijn nog steeds de resten te zien van een cementfabriek waar dergelijke geprefabriceerde elementen werden vervaardigd. 


vorige hoofdstuk inhoudsopgave | volgende hoofdstuk