naar Engelse Kamp pagina

Het boek over het Engelse Kamp is verschenen.
Klik hier: Het Engelse Kamp - Groningen 1914-1918


Klachten van Engelsen 
over het slechte voedsel

Het Engelse Kamp in Groningen 1914 -1918 (deel 4)

Dit is het vierde deel uit de serie over de geschiedenis van het Engelse Kamp in Groningen waar tijdens de Eerste Wereldoorlog 1500 Engelse militairen waren ge´nterneerd. 

klik op de foto voor een vergroting
 Een overzicht van het Engelse Kamp. Rechts op de foto van onder naar boven: ziekenboeg - daarachter de drie manschappenbarakken. Links op de foto van onder naar boven: postkantoor met bibliotheek, sportlokaal en het Engelse administratiegebouw. Achter de muziekkoepel ligt het sportterrein. 

Op 16 januari 1915 verhuisden de Engelse matrozen van de overvolle Rabenhauptkazerne naar het barakkenkamp dat door de firma J.Timmer en Zonen uit Helpman was gebouwd op het exercitieterrein van de kazerne. Dit terrein was gelegen achter de toenmalige gevangenis (thans Van Mesdagkliniek). De toegang tot het kamp bevond zich tussen het Sterrebos en de noordelijke gevangenismuur. Dit barakkenkamp kreeg in Groningen al snel de naam 'Engelse Kamp'; de Engelsen zelf noemden hun kamp Timbertown [Plankenstad]. 

De drie bataljons Hawke, Benbow en Collingwood kregen elk een eigen woonbarak van 72 meter lang en 17,5 meter breed. In elke barak konden vijfhonderd ge´nterneerden worden gehuisvest. De mannen sliepen in houten kribben die, in dubbele rijen, tweehoog in de lage zijvleugels waren getimmerd. De hoge middenruimte van de barak werd gebruikt als woonruimte waar tafels en banken stonden. In elke woonbarak was een zogenaamde 'dry-cantine' waar de ge´nterneerden frisdrank en snoepgoed konden kopen. Aan de beide uiteinden van de barakken waren kamers ingericht voor de onderofficieren, zodat deze direct toezicht konden uitoefenen. 

Elke woonbarak werd verwarmd door vier grote kachels die echter onvoldoende capaciteit hadden bij strenge koude. John Bentham (zie vorige aflevering) klaagt in zijn dagboek over het feit dat de nieuwe planken kromtrokken en dat door de spleten sneeuw naar binnen waaide. In de zomermaanden was het zeer benauwd in de barakken, waardoor ge´nterneerden vaak in de buitenlucht gingen slapen. Er was ÚÚn kleine barak beschikbaar met wasbakken en achttien (koud water)kranen. Kennelijk was dat voldoende voor 1.500 mannen. Om wasgoed te laten drogen was er een groot drooghok beschikbaar. Aan de kant van het Helperdiepje waren in een lange rij de latrines en waterplaatsen gebouwd. Waarschijnlijk werd er niet direct geloosd op het Helperdiepje maar werden de tonnen ÚÚn of tweemaal per week opgehaald. De Groningse 'Verzamelplaats van faecaliŰn' was toen gelegen aan het einde van de Verlengde Lodewijkstraat en was zelfs via het Helperdiepje vanuit het Engelse Kamp per water bereikbaar. 
(Is er onder de lezers iemand die over deze huishoudelijk-sanitaire zaken iets meer weet te vertellen?)

Het Kamp was min of meer een volledig dorp met eigen voorzieningen. Aanwezig waren: een recreatiezaal die ook kon worden ingericht als kerkzaal, een administratiegebouw voor de Engelsen, een postkantoor met een bibliotheekruimte, een sportzaal, een ziekenboeg en diverse opslagruimtes. Ook waren er wachtlokalen voor de Nederlandse en Engelse bewakers. Het kamp werd omringd door een dubbele prikkeldraadomheining die 's nachts werd verlicht.

Al spoedig bleek dat de Engelsen het door de Nederlandse overheid verstrekte voedsel te vet en te weinig gevarieerd vonden. Na diverse verzoekschriften van Engelse kant werd besloten dat de Engelsen hun eigen pot mochten koken zolang het toegestane budget niet werd overschreden. Het menu bestond globaal uit: - ontbijt: havermout met stroop, brood met boter, koffie met melk en suiker; - warme middagmaaltijd: gebraden vlees (afgewisseld met wild en vis), aardappelen, groenten; - avondeten: brood met kaas of jam en thee met melk en suiker. 

Aan het einde van de oorlog ontstonden in Nederland grote voedseltekorten die veroorzaakt werden door een stagnerende invoer vanwege de onbeperkte duikbootoorlog op zee en de uitvoer van veel voedsel naar Duitsland. Voor de Engelse ge´nterneerden betekende de voedselschaarste onder meer dat op 1 april 1918 het broodrantsoen (net als bij de Nederlandse militairen) van 600 gram naar 200 gram per dag werd teruggebracht; ook de vleesrantsoenen werden verminderd. Als een soort protestactie weigerden een deel van de ge´nterneerden nog mee te doen aan de dagelijkse (verplichte) marsen omdat ze te zeer verzwakt zouden zijn. De Nederlandse commandant Termaat trok hierop de middagverloven in omdat ze dan ook niet genoeg energie zouden hebben om uit te gaan. Dat hielp onmiddellijk. 

Ook in hun brieven naar huis klaagden de Engelsen over de slechte voedselsituatie. Een van deze brieven werd geplaatst in de 'Morning Post'. In een begeleidend artikel werd gesproken over de 'langzame hongerdood' die de Engelsen in Groningen ondergingen. Er werden zelfs vragen over gesteld in het Engelse parlement. Ook Koningin Wilhelmina vroeg de minister van oorlog of de voedselvoorziening voor de ge´nterneerden werkelijk voldoende was. Uit een onderzoek bleek dat, zo liet de minister weten, er niets te klagen viel omdat de ge´nterneerden dezelfde hoeveelheden voedsel kregen als de burgerbevolking en dat '...de kwaliteit zo goed (was) als onder de tegenwoordige omstandigheden kon worden bereikt...' 

Volgende aflevering: 

Verveling grootste vijand van de Engelsen


  naar Engelse Kamp pagina