naar Von Lettow homepage


Carnavalsoptocht door de rimboe


Na een eerste Britse aanval te hebben afgeslagen wist Paul von Lettow-Vorbeck, de opperbevelhebber van Duits Oost-Afrika, zijn vijanden vier jaar lang te ontlopen. Door het voeren van een guerrillaoorlog en door steeds verder zuidwaarts te trekken wist hij het beslissend gevecht te vermijden. Pas op 25 november 1918 (twee weken na de ondertekening van de wapenstilstand) kwam er formeel een einde aan de strijd in Duits Oost-Afrika. Von Lettow-Vorbeck wist, ondanks zware ontberingen, meer dan vier jaar lang uit handen te blijven van een oppermachtige geallieerde tegenstander. 

Twee Askari verkenners van Von Lettow-Vorbeck

(....) Hoewel de marscolonnes in het begin overdreven lang en ordeloos waren baarde de oefening hier al gauw kunst. Spoedig leerden de dragers, bedienden en vrouwen zich aan de afstanden en het tempo te houden, net zoals de Askari. Ordelijk en met regelmaat trok de lange stoet over de smalle bospaden of dwars door het oerwoud door het onbekende land. Nu twee uur volgde meestal de eerste pauze en na nog eens twee uur de tweede pauze van een half uur. 

In de regel bedroeg de zuivere marstijd per dag zes uur, waarbij dus 25 tot 30 km werd afgelegd, maar dikwijls lagen de prestaties nog hoger. Een troep bestond meestal uit drie compagnieŽn, een colonne en een veldlazaret. De voorste afdeling liep een dagmars vooruit, de achterste afdeling kwam een dagmars na de hoofdmacht. In iedere afdeling liepen de gevechtscompagnieŽn met hun machinegeweren voorop, met slechts de hoogst noodzakelijke patronen en verbandmiddelen bij zich en voor iedere Europeaan een pak met het onontbeerlijke. De Askari marcheerden vlot voorwaarts, kaarsrecht, het geweer op de schouder met de kolf naar achteren, zoals van oudsher bij de koloniale troepen gewoonte was. De gesprekken leverden nooit moeilijkheden op en na een overval op een vijandelijk kamp werden er overal sigaretten gerookt. De kleine leerling-verkenners marcheerden flink mee. (....)

(....) De compagnieŽn of afdelingen werden gevolgd door de dragers met hun last aan verbandmateriaal, bagage, kampgerei en zieken die gedragen moesten worden. Hun last van ongeveer 25 kg droegen ze op het hoofd of afwisselend op de schouders. Het was enorm wat deze mensen presteerden, ze vergroeiden steeds meer met de troep. Wanneer er een keer weinig te eten was en men zonder buit van de jacht terugkwam dan zeiden ze: 'Haisuru' (geeft niets, de volgende keer beter). 
Velen liepen barrevoets en dikwijls trapten ze in dorens. Menigmaal trok een van hen tijdens de mars resoluut zijn mes en sneed een heel stuk vlees uit zijn gewonde voet. Dan marcheerde hij weer verder. 
Na de dragers kwamen de vrouwen, de ĎBibií. Vele Askari hadden hun vrouwen en kinderen meegenomen op de tocht en tijdens de marsen bracht de ooievaar menig kind. De vrouwen droegen hun 'mali' (eigendommen) en die van hun echtgenoot samengebonden op het hoofd mee. Dikwijls droegen zij nog een klein kind dat in een doek op hun rug gebonden hing waar zijn wollig kopje bovenuit stak. Voor de goede gang van zaken bij de vrouwen en hun bescherming werd zorg gedragen door een betrouwbare oudere soldaat met enige Askari. 
Zij hielden allemaal van bonte kleuren en wanneer er een groot aantal bontgekleurde doeken was buitgemaakt zag de kilometerslange stoet er dikwijls uit als een carnavalsoptocht. (....)

Fragment uit: P.E. von Lettow-Vorbeck - Meine Erinnerungen aus Ostafrika


  naar Von Lettow homepage